Super Canaria Sunshine
mijn ervaringen met ADD

Zes

5 augustus 2013

Achteraf gezien was mijn studietijd een grote revelatie van ADD-symptomen. Het was een geweldige tijd die ik niet had willen missen, maar de diagnose ADD zou me veel ellende hebben bespaard.

Het begon al met de studiekeuze. Met mijn exacte vakkenpakket kon ik eigenlijk alles gaan studeren. In het jaarboek van de examenklas had ik de vraag “wat wil je hierna gaan doen?” beantwoord met “journalistiek, grafische vormgeving of bedrijfskunde”. Ik wist het echt niet. Ik ben bij open dagen geweest van Nederlands met bijvak journalistiek (Groningen), elektrotechniek (Eindhoven) en bedrijfskunde en geneeskunde (Rotterdam). Via school kon ik een professionele beroepskeuzetest doen en daar kwam algemene sociale wetenschappen uit (omdat ik dat toen wel leuk vond – als de test tijdens m’n elektrotechniekbevlieging was geweest, was dat eruit gekomen) dus dat ben ik toen gaan doen.

In een eerdere blogpost schreef ik al dat ik het daar al snel weer had gezien. Ik had college van een docent die later columnist van Opzij en Margriet for crying out loud zou worden. Hij verkondigde dat mannen zich meer op zorg- en huishoudelijke taken moesten gaan toeleggen, zodat vrouwen de ruimte kregen om carrière te maken. Dat viel erg goed bij de toehoorders, van wie 80% vrouw was. Ik vroeg me vooral af waarom ze dan pedagogiek of psychologie waren gaan studeren in plaats van iets als materiaalkunde, theoretische informatica of actuariaat. Dat ik uitkeek naar het vak statistiek terwijl de meeste van m’n medestudenten daar al maanden van tevoren wakker van lagen, was een andere aanwijzing dat ik verkeerd zat.

Mijn toenmalige vriendje deed tandheelkunde en als ik daar was, las ik graag zijn fysiologie-, anatomie- en biochemieboeken. Ook ging ik wel eens mee naar de tandheelkundeborrel en daar waren leuke mensen. Ik verhuisde naar Amsterdam, vond een bijbaantje en schreef me in voor tandheelkunde. Helaas werd ik kansloos uitgeloot. Omdat de gezamenlijke praktijk er toch nooit zou komen, maakte ik het uit met de aspirant-tandarts en ik begon vol goede moed aan mijn tweede keus medische informatiekunde.

Dat beviel eigenlijk heel goed. Na het eerste blok droomde ik zelfs van een cum laude-vermelding op mijn propedeusediploma. Maar na de introductie van de studentenvereniging en het tweede blok liet ik dat idee snel weer los. Fysiologie bleek niet beperkt te zijn tot bladeren door Bernards & Bouman, maar vereiste aandachtig studeren. Anatomie was niet alleen die leuke practicumassistent maar ook Latijnse namen van botjes, zenuwen en spieren stampen. Numerieke wiskunde was pittig, Fouriertransformatie in het frequentiedomein kwam neer op wrede horror.

Het studentenleven ging wel lekker. Ik werkte drie avonden in de week bij Albert Heijn, daarna was er elke dag wel ergens een borrel of een feest. In het tweede jaar werd ik gevraagd voor een bestuursfunctie bij m’n vereniging. Zo bleef er weinig tijd over voor de studie. Voor de interessante vakken was dat geen probleem, die haalde ik wel met een hoog cijfer, maar bij de meeste vakken kostte het me de grootste moeite om de boeken open te slaan. Elk blok weer nam ik me voor om alle colleges te volgen en mijn huiswerkopdrachten bij te houden. Dat hield ik meestal een week vol en dan was er weer een feest of een stukje tekst in een boek dat niet vanzelf in mijn hoofd terechtkwam. Elke keer begon ik pas op de laatste dag voor het tentamen echt te studeren, dan had ik er vaak al wel een halve week voor me uit staren in de medische bibliotheek op zitten. Die laatste dag en nacht was ik superproductief, ik studeerde de hele nacht door en daarmee haalde ik het tentamen op het nippertje. Achteraf was er altijd weer die spijt dat ik niet eerder was begonnen. Ik studeerde volgens de 80-20-6-regel, dat betekende dat ik 80% van de tijd niet met mijn studie bezig was en in de resterende 20% zesjes probeerde te verzamelen.

Aan het einde van mijn vijfde of zesde jaar gaf ik het op. Mijn jaargenoten waren bijna allemaal afgestudeerd en ik zat college te volgen van een oud-klasgenoot van de middelbare school die inmiddels gepromoveerd was. Nadat ik een studentenpsycholoog nog de kans had gegeven wat motivatietrucjes op me los te laten, schreef ik me definitief uit. Dan maar geen diploma!
Ik ging op het hoofdkantoor van een telecomprovider werken, kocht een appartement en was opgelucht dat ik de studie achter me had gelaten.

Na anderhalf jaar hard werken, begon ik toch spijt te krijgen. De aanloopperiode van de terugbetaling van de prestatiebeurs liep bijna af en ik realiseerde me dat ik zonder diploma niet snel uitzicht had op een nieuwe baan. Ik had nog wel een laatste kans: als ik me nu eens echt in de Fouriertransformatie zou verdiepen en daarna een afstudeeronderzoek zou uitvoeren, kon ik nog net binnen de periode van tien jaar (na aanvang van de eerste opleiding in het hoger onderwijs) een diploma halen. Dan zou een aanzienlijk deel van de prestatiebeurs worden kwijtgescholden, veel meer dan de lening die ik nodig had om de hypotheek te kunnen betalen. Rendabel dus, maar toch ook een beetje riskant.

Dankzij het eindeloze geduld van de docent Beelden & Signalen, bij wie ik het al meerdere keren voor mezelf verpest had, maar die me telkens een nieuwe kans gaf, haalde ik m’n laatste tentamen. Voor een ander vak leverde ik alsnog een paper in en ook die werd voldoende beoordeeld. Ik kon met mijn afstudeeronderzoek beginnen, onvoorstelbaar.
Tien maanden later stond ik trots en beschaamd tegelijk mijn doctoraalscriptie te verdedigen voor de examencommissie. Trots omdat het toch was gelukt, beschaamd omdat de 80-20-6-regel weer in werking was getreden, heftiger dan ooit. Nadat 80% van de tien maanden verstreken was, begon ik serieus aan mijn scriptie te werken. Op de resterende dagen besteedde ik 20% van de tijd productief, meestal ’s nachts. De laatste week nam ik nauwelijks de tijd om te slapen. Op de dag van de laatste inlevermogelijkheid stond ik ’s ochtends om negen uur bij de copyshop om vijf exemplaren van de definitieve versie van anderhalf uur daarvoor te laten printen en inbinden. Maar het was gelukt! Tot mijn grote verbazing stond er een 6,5 vermeld op mijn diploma. Aan de andere kant stond “doctorandus”.

Achteraf zijn er veel momenten geweest waarop iemand aan ADD zou moeten hebben gedacht. Misschien ikzelf wel, ik had voor het vak psychiatrie immers een 9 gehaald. Anders toch wel die studentenpsycholoog, want wat ik haar tijdens de anamnese vertelde, was feitelijk het lijstje symptomen dat tegenwoordig op elke ADD-site te vinden is. Studenten die nu de diagnose ADD krijgen, mogen een jaar langer over hun studie doen. Ik geef toe dat zo’n gratis jaar bij mij zou zijn opgegaan aan het studentenleven en helemaal nominaal afstuderen is ook weer een uiterste, maar met Ritalin was de Fouriertransformatie niet zo’n grote demotiverende hindernis geweest. Binnen zes jaar afstuderen had zeker tot de mogelijkheden behoord. Maar als de diagnose eerder zou zijn vastgesteld, had ik waarschijnlijk nooit van medische informatiekunde gehoord. Sommige impulsieve keuzes kunnen uiteindelijk (uiteindelijk!) erg goed uitpakken.